Nepal een paar meter van me verwijderd zit een broodmagere, oude man

BLOG – Biscuitjes in Kathmandu

Kathmandu is een gekkenhuis, een overweldigende lawine van kleuren, geluiden en geuren. Schoonheid en lelijkheid naast elkaar. Oogstrelend mooie bloemenslingers en met goud beschilderde tempeldaken, terwijl er een verminkte geit met kale plekken op zijn bonkige rug voorbij slentert. Na drie tempels ben ik moe van alle indrukken. Ik val neer op een stoep voor een tempel en zap door de beelden op de digitale camera. Ik fotografeer te veel. Waar vind ik in Nepal een extra geheugenschijfje.

Ik heb honger en vis uit mijn rugzak een halve rol biscuitjes op. Ik steek net een kaakje in mijn mond als ik voel dat iemand naar me kijkt. Op de stoep een paar meter van me verwijderd zit een broodmagere, oude man. De knieën steken bottig uit een stoffige wikkeldoek, die ooit rood lijkt te zijn geweest. Als onze blikken elkaar kruisen, blijf ik even steken. Zijn ogen zijn donker, vriendelijk, hebben een haast verdrietige blik. Zijn gezicht is scherp, met uitstekende jukbeenderen. Zijn leeftijd is moeilijk te schatten. Hij kan vijftig, maar ook tachtig zijn.

Het gebaar gebeurt vanzelf. Ik schuif op over de stoeprand in zijn richting en steek hem de rol koekjes toe. Even hangt mijn arm met de rol kaakjes verloren in de lucht. Ik kijk er zo aanmoedigend mogelijk bij. Dan steekt hij voorzichtig zijn hand uit en neemt een biscuitje. Tot mijn verbazing wordt het niet opgegeten, maar hij haalt een groezelige doek ergens onder zijn kleding vandaan, vouwt die open en legt het biscuitje in het midden. Hij vouwt het op haast rituele wijze weer dicht en het verdwijnt in de stoffige lagen van zijn kleding. Dan kijkt hij me aan en glimlacht vriendelijk. Ik voel me enigszins onthutst. Gaat hij nu echt dat koekje bewaren voor later? Of neemt hij het mee naar huis voor iemand anders, zijn vrouw, een kind? Is dit alles wat hij eet vandaag?

In mijn Hollandse spontaniteit steek ik hem de hele rol toe. Please, take them. Please. All of them. Ik heb ze niet nodig met mijn doorvoede westerse lichaam. Hij reageert niet, lijkt naast me te sturen. De blik lijkt bevroren. Ik dring aan. Please, they are really for you. Eigenlijk wil ik hem alles wel geven wat ik bij me heb. Geld, mijn waterfles. Het is teveel voor de man. Hij staat op, zijn gezicht heeft een haast gekwetste uitdrukking. Ik sta ook op en probeer nog een keer, maar nu aarzelend. Ik voel dat ik het niet goed heb gedaan, niet subtiel genoeg, te overrompelend en niet respectvol genoeg met mijn ruwe westerse gebaren.

We staan tegenover elkaar. Een moment van stilte, dan pakt hij de rol toch aan en knikt me toe. Maar de vriendelijkheid is weg. Ik heb het verknold. Zo’n goedbedoelende, maar domme toerist die de cultuur niet begrijpt. Hij loopt weg met een rechte rug, trots in zijn houding, de rol kaakjes in zijn hand.

Carla Overduin